zaterdag 17 december 2016

Amore

Hee lief,

Wat zal ik zeggen? Ik ben boos. Verontwaardigd.

Want soms begrijpen wij elkaar totaal niet.

Soms denk ik dat ik weet hoe het werkt met jou. Dat je allerlei regeltjes en procedures volgt en je daaraan vasthoudt. En dan probeer ik om die regeltjes en procedures te snappen. En ook op te volgen. Totdat het dan, op een ander moment, op een andere dag, net even iets anders loopt met jou. Zoals net.

We zijn nu drie jaar samen. Ik weet hoe ik naar je toe kwam gereden, na een lange dag eindigend in het donker, met zwetende benen vanwege al die haarspeldbochtjes. De volgende dag vers wit afbreekbrood met een knapperige korst en heel zacht vanbinnen met groene pesto en tonijnsaus eten. Met heel simpel, maar lekker eten wist je mij meteen te verleiden. Goed, ik was ook zwanger, dus extra gemakkelijke catch. Maar toch.

Met jouw heerlijke eten wist je altijd veel bij mij te bereiken. En ik mocht andere ladies daarbij betrekken. Dus tegenwoordig struin ik met een heel harem aan vrouwen jouw favoriete culinaire, onontdekte plekjes af. Het eerste halfjaar als één grote vakantieliefde.

Maar niet alleen vanwege onze gezamenlijke liefde voor goed eten werd ik he-le-maal verliefd op jou. Ik was vanaf dag één tot over mijn oren, in verwondering en ontdekking over wie jij bent.

Jij bent namelijk anders. Anders om te zien, anders om te horen en anders, om zoveel van te leren.

Als de zon schijnt en wij liggen daar samen op een strandje van te genieten, hoe geweldig is het leven dan met jou? Helemaal als ik je in je ogen kijk, jouw donkere poeltjes van liefde en verleiding, van waaruit het licht gaat vlammen. Jouw blik alsof je me zo overal mee naartoe kunt sleuren. Of ben ik dat zelf, in de spiegelende glans van avontuur?

Maar als je me dan zoiets flikt, zoals vanochtend weer, met je gezucht en dat het nog niet goed is wat ik doe, wat ik heb gedaan, een briefje brengen, een briefje halen, dan betalen… dan word ik zo moe van jou! Dan moet ik echt weer even zoeken naar het mooie, het lieve, het zachte, het echte en kwetsbare van jou.

Je voorkruiperij, daar kan ik niet aan wennen. Maar als we samen een kop koffie gaan drinken in een barretje, snap ik intussen de verfijning daarvan in het feit dat mensen staand aan de bar haast hebben en dus snel een espresso krijgen, terwijl wij als wij aan een tafeltje zitten, gewoon even moeten wachten. Op onze niet-zoveel-haast-beurt.

Maar wat hou ik van jouw gepassioneerde zingen. En dat we dansend door het leven gaan. 

Een paar maandjes geleden besefte ik dat ik jouw gepassioneerde gebarentaal over begin te nemen. Van mijn moeder heb ik aan het begin van mijn leven geleerd me te beheersen, maar inmiddels een eindje op weg in mijn leven ben ik ook door anderen beïnvloed. Dus toen jij laatst zo verontwaardigd tegen me begon te scanderen dat ik niet links moest afslaan maar rechts, toen ging ik er even verontwaardigd tegenin. ‘Ma dai, tranquillo signor!’ Met de bijbehorende handgebaren. En daar zie ik steeds meer het nut van in.

Toch spreken we elkaars taal niet. Vanaf dag één doe ik mijn best. Ik zal moeten blijven leren en investeren. Dat geeft ook niet. Dat vind ik leuk. Alhoewel ik er verdrietig van werd, toen jij me vroeg of ik alleen maar jouw taal leerde om met de mensen om me heen, met de buurvrouw, op de crèche en op school en in winkels te kunnen praten. Alsof dat niet de basis is! Ik kreeg het gevoel dat ik een betoog moest houden waarin ik ook jouw cultuur met haar normen en waarden en mijn diepere interesse daarvoor zou gaan bespreken. Natuurlijk vloeit dat er ook allemaal uit voort, maar zullen we bij de basis van communicatie beginnen? Grazie mille, per favore! Daar staat tegenover dat ik altijd blij en dankbaar ben als jij me het gevoel geeft dat ik me niet hoef te schamen als ik met rode wangen voor je sta te stamelen in jouw taal. Dan ben je weer zo geduldig met me, op zo’n moment.

Geduldig ben je ook met onze kinderen. Je maakt ze tot het middelpunt van ons leven. Je overlaadt ze met aandacht, staat altijd klaar voor een praatje met ze, vol bewondering over hun Italiaanse gebabbel, en als we samen uit eten gaan, krijgen zij als eersten. Ze zijn altijd bello, belli, bellissimi.

Lieverd, ik merk het al, mijn boosheid en verontwaardiging zakt alweer. Gelukkig was het maar een moment. Ik ga kijken waar ikzelf iets aan kan doen en wat ik gewoon zal moeten accepteren in onze relatie. Want je begrijpt het al: met al die liefde die overal tussendoor kruipt, zijn wij nog lang niet klaar met elkaar.

We hoeven nog niet klaar te zijn met elkaar. We kunnen het komend jaar onze relatie verdiepen. 
Ik verheug me er nu al op, lief Italië! 

zaterdag 3 december 2016

Fare Pipì

Pipi doen. Ik heb een hekel aan die omschrijving. Laten we zeggen dat ik het een ‘weinig opwekkende uitdrukking’ vind. Vooral niet als een moeder het zegt. Op zo’n simpele ik-zeg-een-verkleinwoord-want-jij-bent-een-kind-toon: ‘Mama gaat even Pipi doen.’ Niet ‘ik’, want als mama plaatsen we graag alles lekker buiten onszelf. En Pipi met een hoofdletter, dat hoor ik ook in haar stem. Alsof als mama (ja, ik, ja) … als ik dat zeg, ik een mooie, dikke boom op ga zoeken in het grote, groene, mossige bos en die boom eens even lekker tot mijn eigenste territorium ga maken. Waarna ik vervolgens kwijlend terug kom rennen en met grote, naïeve hondenogen verwacht dat daar nog iemand op me staat te wachten. Dat geloof je toch zelf niet?

Nee, ik weet het zeker, ik ga niet zeggen dat ik Pipi ga doen. Dat wie dan ook Pipi gaat doen, hier a Casa dei Tigli en ver daarbuiten. In mijn territorium.

Helaas was opa twee maandjes geleden totaal niet op de hoogte van deze stellige regel. En hij vond het tijd dat onze stuiterbal met een nieuwe taal zou starten. Naast Nederlands op school, Italiaans in de bus, in het zwembad, met andere kinderen van anderstalige secties en in het dagelijks leven buitenshuis, en de eerste woordjes Engels voornamelijk via zijn zus. Dus opa had een goede openingszin in een nieuwe taal: ‘Ich muss mahl Pipi machen.’ Bedankt, opa.

Il piccolino heeft inmiddels de ik-ben-twee-en-ik-zeg-nee-leeftijd met een paar maanden overschreden. We zitten er middenin, om het zo te zeggen. In die leeftijd en in de fase dat hij zindelijk mag worden. Vanaf de tweede verjaardag is het gebruikelijk om dat te gaan trainen op de crèche, l'asilo nido, waar hij naartoe gaat. Dus nu hij daar goed is ingevoegd, rees twee weken geleden de vraag van de educatrice of we ermee zouden beginnen, daar en thuis. Prima plan natuurlijk, ik ben voor zelfstandigheid, en zeker als ík daardoor op de lange duur minder hoef te doen. Luiheid blijheid.

Maar door zijn eerdergenoemde ik-ben-twee-…houding is er nogal weerstand bij het toiletbezoek a Casa. Lees: niet mee willen als ik hem dat vriendelijk vraag, slap gaan hangen in mijn armen, knieën gebogen of zijn kleine lijfje juist helemaal gestrekt als een plank, en dan heb ik het ‘Nee, nee, nee!’ brullen en schreeuwen, en de daarmee gepaard gaande krokodillentranen nog niet eens genoemd. Maar die had je er zelf misschien al bij bedacht. Evenals mijn op dat moment nauwelijks te bedwingen behoefte om hem met die kleine, zachte billetjes keihard in dat even kleine, koele, natte gat van die wc-pot te duwen. O, schreef ik dat nu echt? Tussen ons geschreven en gezwegen dan. Dus enig tegenwicht tegen deze negatieve emoties is wenselijk. Noodzakelijk. Voor alle partijen.

Intussen is Casa dei Tigli in de hyper-hypersfeer van de Goede Sint beland. Met nog sneller enigszins grensoverschrijdende gedrag van sommige kinderen hier als gevolg. Ik neem de educatief-communicatieve wijsheid van How2Talk2Kids voor alternatieven voor straf nog eens ter harte en geef daar een Sint-iaanse draai aan: een Sintsticker voor elk kind dat het gewenste gedrag vertoont, met ieder hun eigen doel. Want als er eenmaal één kind hier in huis in een beloningssysteem belandt, dan willen ze alle drie speciaal beloond worden. En hoewel ik geleerd heb dat eerlijkheid tussen kinderen niet betekent dat ze hetzelfde moeten krijgen, worden ze nu wel op dezelfde manier beloond voor ieders persoonlijke doel. Voor il piccolino is dat wanneer hij het toilet heeft gebruikt (waar het voor bedoeld is), voor la Bella is dat als zij de avond daarvoor om 20:00 uur is gaan lezen en om 20:30 uur zelf haar licht uit heeft gedaan, want ze kan prima klokkijken, en voor onze stuiterbal is dat als hij niet om de haverklap toiletbezoekjes gaat plegen.

Vorige week vroeg de educatrice hoe het gaat met de zindelijkheidsvorming thuis. ‘Steeds beter!’ gaf ik aan en ook dat il piccolino beseft dat hij beloond wordt met een sticker en daarnaar begint te vragen na zijn toiletbezoek. ‘Hoe zeggen jullie eigenlijk in het Nederlands thuis dat hij naar het toilet moet gaan?’ vraagt zij. Ik zeg: ‘Plassen.’ ‘Plaffen,’ probeert ze me na te doen. Want ze wil dat we op het nido en thuis dezelfde terminologie gebruiken. ‘Noi diciamo fare Pipi,’ zegt ze dan. Om vervolgens te vragen of we dat niet kunnen gaan zeggen. ‘Si, si!’ zeg ik meegaand. ‘Anche noi possiamo usare la parole pipì.’ En nu vraag ik dus thuis in mijn eigen territorium of we even Pipi gaan doen.

Wat ben ik toch beïnvloedbaar. Maar wel positief. Alles voor een Sintsticker.



zondag 23 oktober 2016

Opa's en oma's management

Ik ben ziek. Naar de dokter, zij belt de ambulance, die brengt me naar het ziekenhuis en daar word ik geopereerd. Dat soort ziek, allemaal in een dag, in een paar vertraagde uren. Dus wat doe je dan? Dan bel je je moeder en vader. Nou ja, dat doe ik niet, dat doet mijn managementteamgenoot.

Ze besluiten hun vakantie te annuleren en van Nederland naar Italië te komen, achthonderdvijftig kilometer rijden. Hij heeft de gebakken pastei voor op brood uit ons dorp nog snel groot ingekocht. Hij rijdt zoveel hij kan, de Duitse autoweg is favoriet. Zij rijdt ook weer stukken. Ze eindigt bij ons hek na anderhalf uur Italiaanse niet-favoriete smalle hobbeldebobbel wegen. Heldhaftig. Ze zeggen dat dat vanzelfsprekend is. Het is toch bijzonder dat dat vanzelfsprekend is?

De eerste dag staat meteen haar soep op het vuur, en eigenlijk mag alleen ik ervan eten. Maar iedereen wil die soep. Natuurlijk. Hij improviseert later gepassioneerd een pastasaus bij elkaar. Maar ook geuren van Limburgs zuurvlees met frites en verse appelmoes, een heel konijn met groentesaus, en Italiaanse risotto met radicchio en gorgonzola vullen onze week. Mijn behoefte aan thuis, mijn samengesteld Nederlands-Italiaanse thuisgevoel, je proeft het terug in onze keuken.

De wasmachine draait door, de stofzuiger klinkt door de woonkamer, de dweil maakt het witte sopje zwart, de wasrekken hangen vol en de strijkplank is bedolven onder de kreukels.

Samen doen ze de boodschappen voor ons allemaal. Hij praat in zijn Limburgs dialect met het Italiaanse supermarktpersoneel. Onze vijfjarige stuiterbal zegt de volgende keer: ‘Opa, zal ik met je meegaan om je te helpen met het Italiaans?’ En het is op allebei de momenten goed gekomen.

Zij zorgt, voor iedereen, en maakt zich zorgen. Hij puzzelt, leest en doet spelletjes. De leukste spelletjes doen de muppets op zijn tablet. De poepluiers heeft hij mooi ontweken.

Ze rennen achter de hele muppetshow aan. Hoe zat het ook alweer met niet rennen in huis? Kietelen en lachen. Lachen en kietelen. Entertainment ten top.

Het kleinste handje van de familie past om zijn grote vinger. Zoals dat ooit mijn handje was en zijn vinger nog een beetje van mij. In de vroege ochtend lopen ze zo naar de schoolbus. Ciao bella, ciao tesoro!

Samen gaan ze naar school om te vertellen over hun school, vroeger. De tijd van het tikken op de vingers, jongens en meisjes gescheiden en de zwart-wit-tv in opkomst. Zij leest voor. Het is precies deze week Kinderboekenweek ‘Oma’s en opa’s, voor altijd jong.’ Ze hadden op geen beter moment kunnen komen. Een geluk bij een ongeluk.

Ze zegt: ‘Je moet het niet onderschatten, herstellen van een operatie!’ Ondertussen wil zij alles in ons huis voor ons allemaal tegelijk doen. En aan het eind van de dag zegt ze vooral wat ze niet gedaan heeft. Ik zeg: ‘Als mijn moeder hier was zij, zou zij tegen je zeggen dat je het niet moet onderschatten, het hele management van een gezin met drie kleine kinderen runnen!’ Samen lachen we het hardst om onze zorgen. En dan som ik op wat zij die dag allemaal wél gedaan heeft.

Ze hebben een weekje het management overgenomen.

Opa’s en oma’s management.

woensdag 28 september 2016

Invoegen

Vanochtend gaan jij, onze piccolino, en ik voor het eerst naar de Asilo Nido (Italiaanse kinderdagopvang) voor jouw inserimento, letterlijk: jouw invoeging op deze nieuwe plek. De afgelopen twee jaar ben je vooral bij mama thuisgebleven. En nu ga je als tweejarig manneke ‘ingevoegd’ worden tussen leeftijdsgenootjes. Samen op de fiets, bergjes op en af met de handjes aan jouw eigen stuurtje en de wind door je blonde haar om ten slotte de fiets te parkeren naast de bar, voor het huis met de speeltoestellen in de tuin, jouw Asilo Nido.

Even wennen vandaag, vandaar dat we maar een uurtje worden verwacht, en met zijn tweeën. Het is duidelijk het begin van een nieuw schooljaar met meer nieuwelingen. In een wandelwagen zit een bijna tweejarig donkerharig meisje met een speen in de mond hartgrondig te huilen. Niet maar even. Gedurende dat ene uurtje is ze maar vijf keer een momentje stil. Als cadeautje. Ook zij moet ‘invoegen’. Hoewel ik de neiging bijna niet kan onderdrukken om dit meiske uit de wagen te tillen en lekker te knuffelen, besef ik dat ik daarvoor niet hier ben. Zij hoeft zich niet aan mij te hechten, maar aan de educatrice.

Deze educatrice, de juf, trekt voor jou een mand met macchinine uit de kast. Cliché, maar voor jou als klein manneke zijn deze auto’s het meest geliefde speelgoed, dus al snel ontstaan er de karakteristieke files op de autogarage zoals ik ze thuis ook overal tegenkom. Files maken en auto’s invoegen: jouw favoriete bezigheid.


Al gauw sluiten andere kindjes zich bij jou en de juf aan. Ik zit naast je op een bankje. Dat voelt bijna onnatuurlijk, want thuis ben ik meestal ergens mee bezig, terwijl jijzelf bij mij in de buurt speelt. Een jongetje, ook nog met speen op dit vroege moment van de dag, zondert zich wat af in een hoekje. De educatrice probeert hem al snel bij het spel te betrekken. Ik denk nog: Laat hem nou!, maar als hij later om de tafel gaat ijsberen en in no time begint te pruilen, totdat er dikke tranen ontstaan als de juf even uit het zicht is, snap ik waarom ze op dit microniveau in dit micromoment al enige isolatie had willen tegengaan. Chapeau.

Als hij wat bedaard is, opent de juf een boek van Barbapapa. Ik vraag jou of je ook even mee wilt kijken in Barbapapa. Je loopt naar de deur, omdat je denkt dat jouw eigen papa eraan komt. Maar als je de juf kalm en geduldig aan het brullende meisje ziet voorlezen uit het boek over het flexibele roze wonder, kom je terug naar haar en grijnst breed. Woorden die de juf zegt, begin je al na te zeggen. Je hebt de perfecte leeftijd om de cursus Italiaans van start te laten gaan. Met jouw eigen plekje op deze nido ga je je broer en zus achterna die elk hun eigen plekje op de materna en primaria hebben. Zonder papa en mama uiteraard.

Mijn vervolgcursus Italiaans begint volgende week.  Die kan ik overdag volgen, in plaats van zoals in het afgelopen jaar ’s avonds, als jij met een goed vervolg van deze invoeging een vrolijk onderdeel van de groep zult zijn. En dan zul jij, net zoals je broer, met een niet van echte Italianen te onderscheiden Italiaanse tongval, papa en mama gaan corrigeren op hun Italiaans.

En zo zul jij steeds meer invoegen in het land waar je geboren bent.

woensdag 7 september 2016

Bakkie (mis)troost

In Italië is koffie bereiden een topsport waarbij de uitoefenende barista’s medailles verdienen voor hun prestaties. De medewerkers van het Nederlandse rode koffiemerk met de witte letters zouden daar nog heel wat van kunnen leren. Nu moeten ze zich schamen, want tijdens onze vakantie op Nederlands grondgebied zenden ze in mijn kostbare pauzetijd tijdens de prestaties van ‘onze’ Oranje Olympische Spelers hun boodschap uit. Met een trotse vertraging, zodat ik het nog beter kan zien, wordt – pijnlijk, vind ik – duidelijk gemaakt hoe hun oploscappuccinopoeder – ik herhaal: oploscappuccinopoeder – in een glazen kopje op de bodem wordt overgoten met dampend heet water. Alsof het een feest is en geen straf. Dat gelooft toch niemand? Ongepast vind ik het. Dat het bestaat is tot daaraan toe, ik maak het ook soms klaar als het echt niet anders kan – alleen niet meer van dit merk – maar daar loop je toch niet mee te koop? Je kunt hooguit volstaan met een boodschap van pakweg drie seconden, van een wit scherm met daarop in zwarte letters: Als u echt niet anders kunt, hebben wij oploscappuccinopoeder voor u. Zwart kader eromheen. Als een rouwadvertentie.

donderdag 1 september 2016

Klein grut in de grootgrutter

Wat gebeurt er als je een gezin met pakweg drie muppets bij een grootgrutter loslaat? Een gezin dat bijna drie jaar in het land van de pizza, pasta, risotto en gelato woont? Met muppets in de willekeurige leeftijden van 2, 5 en 7 jaar, die dan voor het eerst sinds een jaar weer bij die ene Nederlandse grootgrutter met die kleine winkelwagentjes komen?

Laat ik eerst iets vertellen over gisteravond, over de avond waarop ze in Nederland aankomen. Zodat je een beeld hebt. Er wordt laag culinair gesnackt met hapjes van drie soorten kroket, van kaassoufflé, bitterballen en frikadellen-speciaal, met verse goudbruingebakken frites (niet te verwarren met die gebakken en weer opnieuw opgewarmde en slap geworden aardappelstaafjes uit een gaarkeukenformaat au bain-marie bak). ‘En normaal hebben we er groenten bij, nu helemaal niks gezonds!’ roept de blonde dochter verrukt uit. Het feest is dan al begonnen. Het is vakantie in Nederland.

De volgende morgen crossen drie kleine winkelwagentjes door de winkel. Helaas steekt er boven het karretje van de kleinste muppet geen vlaggetje uit. Dus zodra hij achter een diepvriezer verdwijnt, is hij lost in space. De blondine bedenkt dat de kleine man dan maar de middelste van de kindercaravaan moet zijn, zodat het managementteam weet als het de twee vlaggetjes van de anderen ziet, dat de kleine man daartussenin moet lopen.

Nu wordt de grootgrutter geplunderd. Kinderhandjes graaien naar krentenbrood, rozijnenbrood, notenbrood en vers meergranenbrood. In samenspraak met het management belanden beschuitbollen, filet americain, een uitgebreide voorraad stroopwafels, anijshagel, vruchtenhagel en mergpijpjes in de karretjes. De zuivelkoeling wordt ook aan een grondige keuring onderworpen, waarbij allerlei soorten vla ‘goed’ gekeurd worden: chocoladevla, vlaflip, rijke vanillevla met vanillemerg. Bij elk typisch Nederlands en door ieder lid van het gezin gemist product gaat uitbundig gejuich op. Kinderkeeltjes steken elkaar vol vuur aan. De jackpot winnen is er niks bij.

Natuurlijk moet er ook geproefd worden van alle schaaltjes die klaarstaan met kaas, worst en donuts. Alsof ze er speciaal voor dit gezin zijn neergezet. Ze gaan er bijna bij zitten. Gelukkig is het nog zo vroeg dat er nog niet veel andere mensen in de winkel zijn. 

Hoewel de blondine wel live verslag uitbrengt aan een verkoopster, die erg doet herinneren aan de moeder van haar crèchevriendinnetje en klasgenootje drie jaar geleden. ‘Wij praten wel Nederlands,’ legt ze uit, ‘maar we wonen in Italië. Daarom doen we nu voor het eerst in onze vakantie hier boodschappen.’ Later laat ze nog weten dat ze de grootste pot pindakaas met stukjes noot hebben weten te bemachtigen. De verkoopster zal hen niet snel vergeten. Ze blijkt zo’n beetje alles van hen te weten.

Bij het afrekenen van al de uitpuilende karretjes komt het management er natuurlijk achter dat deze overvloed wel heel erg overvloedig is voor de komende twee weken. Gelukkig zijn er veel familie en vrienden in hun buurt die in het lekkers zullen delen. En bij wie het achterblijft, als zij weer achter de pizza, pasta, risotto en gelato plaatsnemen.

maandag 18 juli 2016

Meer om het meer

Zondagochtend twaalf uur. Ik trek de voordeur achter me dicht. De Italiaanse zon brandt op het hoogste punt aan de strakblauwe hemel. Bijna net zo fel als de oranje zolen van mijn renschoenen. Ik heb de knalroze veters stevig aangetrokken. Even in de gaten houden of mijn voeten niet te veel worden afgekneld. Het zou toch jammer zijn als ik trainend voor de vijfentwintig kilometer Il Giro del Lago di Varese last krijg van blessures.

Evy Gruyaerts les achttien start-to-run naar de tien kilometer begeleidt me vandaag via mijn oer-Hollands-oranje oortjes. Bij gebrek aan beter. Intussen ben ik namelijk geen start-to-runner meer. Na mijn derde moederschapsverlof en aansluitend daaraan anderhalf jaar trainen heb ik een paar weken geleden de dertien kilometer rondom Il Lago di Comabbio gerend. Samen met mijn Belgische renmaatje. En dat ging zo goed, dat we onze grenzen verder willen verleggen. Dat we werkelijk een steady rentempo van rond de 6’45’’ zouden lopen, terwijl we gedurende de dertien kilometer bleven kletsen, dat hadden we niet verwacht. Advies van Evy: je moet kunnen blijven praten terwijl je loopt, dan loop je niet te snel. Dus dat kletsen deden we ook.

Ons volgende doel: de vijfentwintig kilometer Il Giro del Lago di Varese, over twee maanden. Een trainingsschema voor twee trainingen per week inclusief intervaltrainingen wordt voor me uitgepluisd. Althans, dat is me vlak na de run rondom Lago di Comabbio beloofd door een volgens eigen zeggen tikje jaloerse renner, en vriend, in Nederland. Toen ik vervolgens twee weken later doorvroeg over de status van de uitpluizeritus, kreeg ik geen antwoord. Vooralsnog. Ik kan nogal ongedurig worden als hij niet antwoordt op een vraag van mij. Dan moet ik mezelf er weer aan herinneren dat hij het waarschijnlijk druk heeft, en als hij een paar weken niet gerend heeft, helpt dat niet. Misschien had ik bij mijn vraag wel de verkeerde toon te pakken? Ik kan ook zelf wel een schema uitpluizen als ik dat renboek erbij pak (Het geheim van hardlopen – Hans van Dijk en Ron van Megen). Maar een coach en mederenner die dat voor me doet, is wel fijn. Zucht. Geduld hebben of het heft zelf in handen nemen. Dat zijn de opties. Wordt vervolgd.

Ik klim de steile berg op. Dat is een goede warming-up. Onder de schaduw van de bomen kan de auberginekleurige zonnebril op mijn knalroze pet. Nee, mij zie je in al dat neon niet over het hoofd. Ik bereik het plekje waar de opa van de muppets anderhalve maand geleden als taartjesdief op een bankje door de speurneuzende politiekinderen van la bella’s kinderfeestje werd overmeesterd en gearresteerd. Met een glimlach denk ik terug aan opa aan de groene campingtafel met daarop de verjaardagstaartjes en het oranje overhemd, de gouden zonnebril, de zwarte krullenrpuik en het groene hoedje die opa het uiterlijk gaven van de gezochte taartjesdief. Ook hij was niet over het hoofd te zien.

Ik vervolg mijn weg geleidelijk bergaf richting het dorp. Een grijzende man probeert zijn rechterbeen van zijn fiets af te zwaaien. Ik ren in zijn richting om hem te helpen, de traagheid van zijn handeling lijkt te verraden dat hij niet meer zo vitaal is. Maar als ik bijna bij hem ben, staat zijn voet al naast zijn fiets. ‘Va bene?’ vraag ik nog licht bezorgd en vrolijk of het goed met hem gaat. De intonatie van zijn reactie ‘Buongiorno!’ maakt duidelijk dat hij nog heel vitaal is. Op zijn minst mentaal. Ik hoef mijn pas niet verder te vertragen. Mijn zonnebril die alweer op mijn neus is beland, wordt door een grote grijns omhoog gewipt.

Verderop in het bos langs de spoorbaan komt een auto met een mannelijke bestuurder me tegemoet. Even flitsen allerlei gruwelijkheden door mijn hoofd bij het antwoord op de vraag ‘Wat kan deze man in het bos gedaan hebben?’, maar dan besef ik dat ik vannacht net iets te lang in het boek van Joyce Spijker – In de familie heb gelezen (leestip!) om allerlei thrillerachtige scenario’s voor me te zien. Mam heeft dat boek ook net gelezen, dus ik zal haar maar niet vertellen dat ik in mijn eentje door het bos ren. Daar is ze sowieso niet zo’n fan van.

Als ik er vier kilometer op heb zitten, bereik ik via het korzelige stenen pad Il Lago Maggiore. Het blauwe koele water strekt zich in alle kanten voor me uit. De bergen als achterdoek met verschillende tinten groen, het dorp met terracottakleurige huizen die uitzicht hebben op het meer tegen de heuvel aan, de witte bootjes die op de voorgrond schitteren in de weerkaatsing van de zon en de rietpluimen vlak voor mijn neus. Het is inmiddels zo vertrouwd. En wat een rijkdom om hier te kunnen rennen.

Ik passeer groepjes mensen, velen in bikini of zwembroek, waardoor ik me stukken meer gekleed voel in mijn donkerroze rentopje en strakke zwarte driekwartbroek. Ik laat hier en daar wat buongiorno’s en ciao’s achter, maar ben te snel om de reacties op me in te laten werken. Zijn het te veel mensen om stuk voor stuk een moment van verbinding mee te voelen? ‘Ik hou van de wereld en de wereld houdt van mij!’ zong la bella gisteren nog compleet onbevangen vanuit de wc. Haar vader en ik lagen er glimlachend naar te luisteren.

Als ik mijn geliefde rotsachtige pad langs het meer opga, hoop ik dat de enorme hoeveelheid mensen af zal nemen. Dat is zo, gelukkig! Een oudere man maakt plaats voor me op het pad, terwijl zijn vrouw in blauwe bikini genietend het opspattende water in zakt. Heerlijk. Ik geniet in gedachten met haar mee, terwijl ik verder ren. Al goed gebruinde Italiaanse mannen bakken verder af in de zon. Ik hoef niet te klagen over mijn kleurtje, het recente weekje Piemonte heeft mijn schouders die uit mijn topje steken, een egaal bruin kleurtje met wat donkerder sproetjes meegegeven. Als ik denk dat ik iedereen wel gepasseerd ben, zit er toch een jonge vrouw topless samen met een aantal vriendinnen onbeschaamd in kleermakerszit zo veel mogelijk zon op te vangen. Zou leuk zijn als ik in vloeiend Italiaans kon zeggen dat ze haar tepels toch echt in moet smeren met een hoge factor, omdat ze zo uitsteken. Helaas is dat Italiaans niveau B2, huiswerk voor na de zomervakantie van ons olijke muppetdrietal. Daarnaast is het een veel te hoog (be)moedergehalte op dit heerlijke, muppet-vrije uurtje sportmanagement.

Als ik de trappen oploop, van het meer af, staat een jongetje van drie jaar boven aan de trap op me te wachten. ‘Mano, mano!’ steekt hij vragend zijn hand naar me uit. ‘No, non te dio un mano, meglio con papa o mama,’ antwoord ik hem dat hij beter aan de hand van zijn vader of moeder de trap af kan gaan richting het water dat tegen de rotsen opspat.

Als afsluiter van deze acht kilometer weer een berg op, weer een bos in. En ook daar is weer een man in een auto, die eerst achter me rijdt en nadat ik hem heb laten passeren, in een garage zijn macchina parkeert. Hij komt rustig mijn kant op. ‘Ciao!’ Ik zie zijn ogen twinkelen door zijn zonnebril heen en zijn zwarte baardje vormt een zachte, vriendelijke glimlach. Ik kan hier van alles bij fantaseren, dit keer duidelijk geen thrillerachtige scenario’s. Wat heb ik met baardjes? Heb ik wat met baardjes?

Als ik de muur met ‘Love you’ vlak bij huis passeer, minder ik vaart. Mijn voeten zijn heerlijk warm en het voelt goed, alsof ik nog meer zou kunnen rennen dan deze zonnige acht kilometer. Rustig verder trainen voor de vijfentwintig om het volgende meer. Dat gaat wel lukken.


PS: Het lijkt erop dat ik me voor de bewuste run moet inschrijven als atleet bij de Italiaanse atletiekfederatie en dat mijn huisarts een medische sportkeuring moet afgeven. Italianen en hun papierwinkel…